Wetenschappelijke onderbouwing

Het is algemeen bekend geworden dat natuur gezond is. “Van buiten word je beter”, vatten Van den berg en Van den Berg (2001) het samen, en in Engeland staat ‘Ecotherapy’ op de volksgezondheidsagenda (www.mind.org.uk). Deze erkenning kan bogen op een fundering in brede evolutionaire theorie, die wijst op het feit dat de mens in de natuur is gevormd. Daarom:

1.       hebben mensen een aangeboren veel sterkere affiniteit met levende dan met niet-levende dingen, of dit nu ‘biophilia’ of ‘biophobia’ is (Kahn 1997).

2.       worden mensen overal ter wereld meer aangetrokken tot open, savanne-achtige landschappen dan tot gesloten bos (Ulrich 1977).

3.       moeten wij ons ook zorgen maken of er in de moderne samenlevingen niet een veel te grote spanning aan het groeien is tussen wie wij zijn en hoe wij leven, met steeds meer pathologie tot gevolg (Gullone 2000).

Dat natuur je beter maakt is ook de uitkomst van veel medisch en psychologisch experimenteel onderzoek, gebruik makend van zelfrapportages maar ook van objectieve metingen van bijvoorbeeld stresshormoonniveaus, fysiologie en morbiditeit. Deze uitkomsten kunnen worden gegroepeerd in drie gebieden (Van den Berg en Van den Berg 2001; Davis 2004):

(1)    Natuur als bron van rust, ontspanning, mindfulness en recuperatie. Zie bijvoorbeeld de overzichten van Hartig et al. (1991), Ulrich (1993), Korpela et al. (2008) en Hartig (2008).

(2)    Natuur als bron voor geestelijke en lichamelijke weerbaarheid. Kaplan and Talbot (1983) en Kellert en Derr (1998), bijvoorbeeld, beschrijven de (beklijvende) groei van (zelf)vertrouwen en verminderde behoefte aan controle door intensief contact met de natuur.

(3)    Natuur als bron voor persoonlijke groei en betekenisverlening. Deze diepe veranderingen worden onder andere beschreven door Easley et al. (1990), Kaplan en Kaplan (1989) en Davis (1998).

In de ontwikkeling van Het Pad gaat het om alle drie gebieden tegelijkertijd. Goede verwachtingen over de werking van Het Pad zijn gebaseerd op bovenstaande uitgebreide literatuur. Ook de evolutionaire theorie ondersteunt  optimisme over het therapeutisch vermogen van lang en doelgericht lopen in de natuur; we doen dan immers precies wat miljoenen jaren het grote evolutionaire voordeel van ons rechtop gaan is geweest.

Aan de andere kant staat dat patiënten met psychische aandoeningen nog nauwelijks in beeld zijn geweest in onderzoek. Het experiment van Roe en Aspinall (2011) vormt een van de schaarse uitzonderingen. Zij namen groepjes psychisch gezonde en psychisch niet-gezonde mensen mee op korte wandelingen in de stad en in de natuur, en onderzochten het effect in termen van bovenstaand gebied 2. Voor alle groepen had de wandeling een positief effect, en was dit effect groter bij de wandeling in de natuur. Voor de geestelijk niet-gezonde mensen gold dit nog sterker. Ook hier vinden we dus een aanwijzing voor de effectiviteit van een Pad als therapeutisch middel.

Ook al zullen de effecten altijd positief zijn, niemand komt echt uit een chronische depressie, vermoeidheid of burn-out  door een uur lopen. De diepgang en beklijving van de noodzakelijke verandering vergt, zo is onze hypothese, een ‘lang-gang’ van het contact met de natuur. Ter ondersteuning van deze hypothese is op te merken dat de experimenten die effecten meten in gebied 3 bijna altijd langdurig zijn, bijvoorbeeld een wandeltocht van een week. Deze experimenten betroffen echter tot nu toe nooit mensen met chronische aandoeningen, en zijn ook nog vrijwel nooit volgens de standaarden van volwaardig wetenschappelijk onderzoek opgezet. Voor het bereiken van een echte ‘evidence-based’ status van Het Pad is dus, ondanks alle positieve aanwijzingen, een volledige medisch-wetenschappelijke toetsing nodig.

Literatuur

Davis, J. (1998). The transpersonal dimensions of ecopsychology: Nature, nonduality and spiritual practice. The Humanistic Psychologist 26, 60-100 

Easly, A.T., J.F. Passineau and B.L. Driver (1990). The use of wilderness for personal growth, therapy and education. US Department of Agriculture, Rocky Mountain Forest and Range Experiment Station, Colorado

Gullone, E. (2000). The Biophilia Hypothesis and life in the 21st century: increasing mental health or increasing pathology?Journal of Happiness Studies 1, 293-321

Hartig, T. (2008). Green space, psychological restoration, and health inequality. The Lancet  372: 1614-1615 

Hartig, T., M. Mang and G.W. Evans (1991). Restorative effects of natural environment experience. Environment and Behavior 23, 3-26 

Kahn, P.H. (1997). Developmental psychology and the biophilia hypothesis. Developmental Review 17, 1-61

Kaplan, R. and S. Kaplan (1989). The experience of nature: A psychological perspective. Cambridge University Press, New York

Kaplan, R. and J.F. Talbot (1983). Psychological benefits of wilderness experience. In: I. Altman and J.F. Wohlwill (eds.),Behavior and the natural environment, Plenum Press, New York 

Kellert, S. and V. Derr (1998). National study of outdoor wilderness experience. Island Press, Washington DC

Korpela, K.M., M. Yién, L. Tyrvainen and H. Silvennoinen (2008). Determinants of restorative experiences in everyday favorite places. Health and Place 14(4), 636-652 

Roe, J. and Aspinall, P. (2011). The restorative benefits of walking in urban and rural settings in adults with good and poor mental health. Health and Place 17, 103-113

Ulrich, R.S. (1977). Visual landscape preference: A model and application. Man-Environment Systems 7, 279-293 | Ulrich,  R.S. (1993). Biophilia, biophobia and natural landscapes. In: S.R. Kellert and E.O. Wilson (eds.), The Biophilia Hypothesis, Island Press, Washington, pp. 73-137

Van den Berg, A.E. en M.M.H.E. van den Berg (2001), Van buiten word je beter. Alterra, Wageningen

Advertenties
Maak je eigen website aan bij WordPress.com
Aan de slag
%d bloggers liken dit: